Heil, heilig, heiligheid
december 2006
Het woord 'heil' is verwant aan het woord 'heel'. Het heeft de grondbetekenis van genezing en gezondheid (healing). Het woord 'heilig' heeft daarentegen meer betrekking gekregen op dat wat tot het goddelijke behoort, dus niet profaan.
Deze betekenis van heiligheid komt voort uit de visie van Aristoteles en Plato, en later de monotheïstische godsdiensten, die het goddelijke afscheiden van het tastbare en het wereldlijke. God is de schepper, eeuwig en perfect, de wereld en mensen zijn geschapen en imperfect. Imperfect is onvolmaakt, gebrekkig en dus 'ziek' tegenover 'heel'.
Heel is ook: compleet, niet verdeeld. Er is dan ook veel voor om te zeggen dat 'heilig'en 'heiligheid' betrekking heeft op een toestand die niet (innerlijk) verdeeld is. De drie-deling van de mens; lichaam, ziel en geest kan heel worden en heilig zijn als deze drie niet innerlijk verdeeld maar in harmonie zijn, in een gemeenschappelijk beleefde onderneming dat leven heet.
Heel zijn (=heilig zijn) treedt dus op als moraal en daden in overeenstemming zijn met elkaar en de spirituele potentie.
De natuur kan niet innerlijk verdeeld zijn, want deze heeft geen keus dan in overeenstemming te zijn met een groter plan. De natuur is dus heilig. Het lichaam zelf is heilig, want het heeft geen keus, het is een product van de natuur en vormt het huis voor de geest.