Essay

De oorsprong van het Kwaad (gnostische opvatting)

november 2008; [1]

De oorsprong van het ‘kwaad’ blijkt altijd een belangrijk thema geweest te zijn voor de gnostici. Misschien ook wel een thema dat aan de basis ligt van het ontstaan van gnostische bewegingen. Het ontluikende christendom en het bestaande jodendom beschouwden het domein van het goddelijke als absoluut goed. Met dit uitgangspunt ontstaat er een logische tegenstrijdigheid. Als een God de enige God en Schepper is van het Al, dan heeft deze noodzakelijkerwijs ook het kwaad geschapen. De consequentie is dat God dan niet alleen maar goed is en/of het kwaad niet alleen maar slecht. Als daarentegen God alleen maar het Goede vertegenwoordigt, dan kan Hij gewoonweg niet de enige Macht zijn.

De kosmogonieën van de gnostici hebben dit logische conflict op verschillende manieren opgelost. De ene stroming vertelt dat onze wereld geschapen is door een lagere godheid (demiurg) als een foutje in de schepping, buiten de wil van de Vader om. Het manicheďsme neemt de andere consequentie: naast en tegenover het rijk van God de Vader bestond het rijk van de Duisternis. In de interactie met deze twee rijken is de wereld ontstaan als een mix van die twee. Er is nog een derde manier waar te nemen, een die is opgetekend in het Evangelie der Waarheid [S.J.; NHC I.3]: deze verkondigt dat er geen kwade macht is. In het kort komt het erop neer dat het kwaad slechts de afwezigheid is van het Goede. De termen “goed en kwaad’ worden dus opnieuw gedefinieerd. Misschien is er nog wel een oplossing voor dit probleem, en een die grote populariteit heeft verkregen in de laatste eeuw. De ontkenning van een scheppende God lost de logische tegenstrijdigheid ook op. Je zou deze opvatting ironisch een andere gnostische stroming kunnen noemen, want het lijkt erop dat de gnostiek het product is van de hellenistische logica en het joods-christelijk erfgoed. De westerse cultuur heeft zich met name uit deze twee bronnen geëvolueerd. De ultieme oplossing –de ontkenning van God- van de Grieks-Joods tegenstelling is wellicht wel voorspelbaar geweest. Het logisch conflict en de diverse oplossingen worden in het volgend hoofdstuk uitgewerkt.

‘De Oorsprong van het Kwaad’ is misschien een misleidende titel. ‘Het kwaad’, als tegenstelling tot het goede, waar al snel het Goddelijke, of God mee bedoeld wordt, roept al gauw de indruk dat het om een entiteit gaat met een zekere ondermijnende bedoeling en actief handelend. Het kwaad wordt dan gepersonifieerd met een entiteit als de duivel of afvallige aeonen als Jaldabaoth. ‘Kwaad’ had oorspronkelijk als betekenis ‘drek’, vuil’ of ook: ‘gebrek’ of ongunstige omstandigheden’. Het hele scala aan pijnen, ziekte, dood, gebrekkigheid, achteruitgang in het algemeen, zijn te scharen onder het kwaad. In de scheppingsverhalen van de Nag Hammadi geschriften wordt er geen onderscheid gemaakt tussen wat we nu ervaren als passieve kwaliteiten (kenmerken) en actieve entiteiten (grootheden). ‘Bewustzijn’ verlangde bijvoorbeeld in NHC II.1 vers 21 het tot stand komen van ‘Wil en ‘Woord’. ‘Wijsheid’ (Sofia) schept volgens dezelfde codex de fysieke wereld. ‘Het Kwaad’ is voor de gnosticus uit de eerste eeuwen na Christus naar alle waarschijnlijkheid een handelend Kwaad. In Het kwaad wordt op een moderne esoterische wijze het kwaad behandeld.

Er is nog een verschil in opvattingen aan te wijzen tussen die van de gnosticus van vroeger en de mens van nu. Het is niet moeilijk te begrijpen dat het kwaad inherent is aan een dynamische wereld. Vooruitgang en groei is automatisch verbonden met weerstand en vergankelijkheid. Het goddelijke heet alles behalve veranderlijk te zijn. God is eeuwig, onvergankelijk, volmaakt, zuiver en heilig, [S.J.; NHCII.1]. De tegenstelling God en Duivel is eigenlijk synoniem met de tegenstelling statisch-dynamisch[2]. Tegenwoordig is dynamiek geen vies woord meer. Integendeel, jong en dynamisch zijn is het ideaalbeeld voor mens en maatschappij. Kwaad is een noodzakelijkheid (een noodzakelijk kwaad) geworden om groei en vooruitgang (lees welvaart) mogelijk te maken. De duivel verliest hiermee zijn kwaadaardige glans en is met niet veel moeite soms aan te wijzen als de motor van goede ontwikkelingen (zie ook: geweld).

‘De Oorsprong van het Kwaad’ gelezen als de oorsprong van het concept dat mensen hebben over het kwaad als entiteit moet dus eigenlijk gezocht worden in de oorsprong van het denken in een goede statische eeuwige wereld en een verderfelijke dynamische wereld.

Het logisch conflict

Het logisch conflict in de scheppingsmythe kan weergegeven worden met ten minste zes beweringen:

  1. uit God komt het Geschapene voort;
  2. God is uniek (enig);
  3. God is goed;
  4. Het Geschapene omvat de Wereld;
  5. Alles wat uit God voortkomt heeft de kenmerken van God;
  6. De Wereld is niet goed.

Grootheden zijn met hoofdletters weergegeven; Kenmerken zijn met kleine letters aangegeven.
Elke bewering is zo geformuleerd dat het de toekenning van één kenmerk aan één grootheid inhoudt of een relatie tussen twee grootheden aangeeft.

Bewering (6) is tegenstrijdig aan de beweringen (1) t/m (5). De 6 beweringen zijn weer logisch waar te maken als één bewering wordt veranderd. Deze resulteren mogelijk in de verschillende kosmogonieën die onder gnostici circuleerden. De mogelijkheden zijn:

Bewering (6) is niet juist;De wereld is goed, maar onze definitie van goed is erg gerelateerd aan menselijke sociale opvattingen over wat als goed wordt ervaren. “goed” is een subjectieve term, geen objectieve grootheid en niet geschikt in deze beweringen. Wij kunnen God niet begrijpen (dit thema is verwerkt in het bijbelse boek van Job).

Bewering (5) is niet juist;Het door de goede God geschapene is in staat een onvolmaakte wereld voort te brengen. (Sethiaanse mythe of meer subtiel in het Evangelie der Waarheid [S.J. NHC i.3], God onthoudt de volkomenheid aan het Al).

Bewering (4) is niet juist; De wereld van de materie bestond buiten de pleroma. Door de interactie hiermee is de goddelijke geest in de vorm van de mens in de wereld terecht gekomen Evangelie der Waarheid.

Bewering (3) is niet juist; God is het goede en het kwade, of niet te vangen in termen van goed en kwaad. God is de eerste beweger, of een abstract scheppend onpersoonlijk principe. (Hermetisch standpunt).

Bewering (2) is niet juist; God is niet de enige schepper, er is ook een kwade (actieve) macht naast God (Manicheďsme) of naast God bestaat er een andere ongeschapen (passieve) werkelijkheid (Evangelie van de Waarheid).

Bewering (1) is onjuist; er is geen God (modern seculiere opvatting).

Er is nog een zevende (uiteraard) oplossing voor deze logische tegenstrijdigheid. We kunnen verklaren dat de logica niet van toepassing is op deze stellingen. De spanning tussen de beweringen kunnen de beschouwer dwingen het rationele te verlaten en tot inzicht te komen door ander delen van het bewustzijn aan te spreken. Een vergelijking kan getrokken worden met de rol die de Koan uit de Zen traditie heeft in het bereiken van verlichtingservaringen.

© J.H. van Splunter 2009. Overnemen is toegestaan; bronvermelding wordt op prijs gesteld.