Essay

De Mens

juni 2007

Voorstellingen over menselijk geluk, worden bepaald door het beeld dat de mens van zich zelf heeft in relatie tot al het andere. Verschillende religieuze stromingen zien die relaties anders, en hebben dus een ander beeld over het heil. Het onderhavige essay omschrijft die verschillende voorstellingen en van daaruit de kenmerken van het heil, dat bij die voorstellingen hoort.

INLEIDING

Op reis in het buitenland kom je dikwijls de vraag tegen: “Waar kom je vandaan ?”, meestal gevolgd door: “Waar ga je naar toe?”. De eenvoudigste manier is dit te interpreteren als het vragen naar een fysieke locatie. Deze vragen zijn ook overdrachtelijk te nemen. En deze vragen zal een mens zich ook wel eens stellen op een van die kostbare evaluerende momenten, waarin behalve het voorbije leven ook de bestemming van het leven wordt afgetast. Als mens ben je altijd op weg ergens naar toe, op weg naar morgen. De één op weg naar het eerste miljoen, de ander op weg naar een onsterfelijk leven. De positie waar je denkt in het hier en nu te zijn, zal de relatie tot de te bereiken levensdoelen bepalen.

Positie is geen absoluut gegeven. Een positie is altijd gerelateerd aan iets anders. Een positie wordt gegeven door richting en afstand tot een ander punt. Waar is het vermeende geluk te vinden? En hoe ver is het nog? Wat moet je er voor doen om het te bereiken? Uit de behandeling van het mensbeeld in de drie levensbeschouwingen Boeddhisme, Judaïsme en het Christendom, blijkt al dat het mensbeeld verschillend is en dus ook de vermeende positie ten opzichte van een levensdoel waar het heil te vinden is. Om de posities in deze levensbeschouwingen te kunnen vergelijken kan gebruik worden gemaakt van een model waarin een positie bepaald wordt door een locatie op drie assen, met dus zes relaties. Numerologisch, is het getal '6' verbonden met positie. Er kunnen vanuit een positie zes vergelijkingen gemaakt worden. Een mens definieert zichzelf nu eenmaal door zichzelf te vergelijken met iets anders, waar wel een bepaalde relatie of uitwisseling mee bestaat. De drie assen waar ik de mens langs wil afmeten in elk van de drie levensbeschouwingen zijn:

  1. de ‘mens as’. Een mens is niet geïsoleerd, hij maakt onderdeel uit van een groep. zoals familie, de stam, het volk, de mensheid. In hoeverre de cultuur van deze mens collectivistisch of individualistisch is, bepaalt de afstand tot de groep. Aan de andere kant van deze as kan een innerlijk, wezenlijk zelf geplaatst worden. Een begrip als “ziel”, “geest”, de “boeddhanatuur” kan hiermee samenvallen.
  2. de as tussen hemel en aarde. Aan de ene kant van de as is er de relatie met de aarde, de natuur om ons heen. De andere kant van deze as beschrijven we hier als de lijn naar een “god”, het ongeziene, dat het leven bestendigt. Hoe ziet de mens zich verhouden tot de aarde? Hoe groter de afstand, hoe minder de mens zich onderdeel ziet van de natuur waar hij biologisch uit voortgekomen is. Zal dit dan betekenen dat de afstand tot het goddelijke dan kleiner is?
  3. de tijd as. Hoe ziet de mens in elk van de drie levensbeschouwingen zich bepaald door het verleden en ook hoe ziet hij de toekomst en hoe ver is die?
model het mensbeeld

In dit schema zijn de zes richtingen langs de drie dimensie assen weergegeven. Hierdoor wordt een figuur verkregen dat een kubus (hexaëder) voorstelt. De hexaëder vertegenwoordigt in de platonische lichamen het element aarde. De uiteinden van een as kunnen als elkaars spiegelbeeld gezien worden. In 'anderen' weerspiegelt zich het innerlijk zelf, de aarde (schepping) is het spiegelbeeld van God.

BOEDDHISME

Boeddha wees op het lijden dat het leven impliciet met zich meebrengt. Het lijden wordt opgewekt door verlangen. Het is juist verlangen dat de afstand tot een gewenst doel schept (verlangen = verlengen?). In plaats van middelen aan te wijzen om vermeende doelen te bereiken, ziet Boeddha het opheffen van het lijden in het opheffen van verlangen. De hexaëder (kubus) van het model implodeert tot een punt, het verlangen is uitgedoofd (Nirwãna). Dit ultieme heil zal voor de gewone boeddhist die ingebed is in een samenleving een verre droom zijn. Ook hij zal streven naar een aangenaam leven, waarvoor ons woord ‘geluk’ misschien van toepassing is. Toch kan geluk nooit een boeddhistisch levensdoel zijn, want het is tijdelijk. Geluk is zelfs verdacht, want het verleidt tot gehechtheid aan het bestaan.

De mens as
De anderen
In de Theravada wordt het beoogde doel, het opheffen van het lijden door het opheffen van verlangen, verkregen door meditatie en (milde) ascese. In zekere zin een asociale houding. Relaties met anderen betekenen veelal pijn, teleurstelling of de angst een gelukkige relatie te verliezen. In de sutta “de hoorn van de neushoorn” wordt het solitaire leven bezongen. Vers 65:

Niet verlangend naar lekkere dingen, niet wellustig,
Anderen niet onderhoudend, voortdurend rondgaand,
Niet emotioneel gebonden aan deze of gene familie,
Moet men alleen leven als de hoorn van de neushoorn.

De Boeddha zelf heeft huis en haard verlaten om het uitdoven van het verlangen te bereiken. Toch is de monnik afhankelijk van zijn sociale omgeving voor voedsel. Naast voedsel wordt de menselijke omgeving (en ook de wezenswereld in het algemeen) gezien als een middel om mededogen te praktiseren. Mededogen is vrijwel synoniem met wijsheid. Wijsheid laat zich zien in mededogen, mededogen leidt tot wijsheid. Mededogen uit zich vooral in het zorgen dat de mensheid verlost kan worden van het verlangen. Behalve door meditatie, is er ook de manier om goed karma op te bouwen en slecht karma te vermijden. Met een goed karma bestaat de mogelijkheid opnieuw geboren te worden in een betere uitgangspositie. Goed karma is vooral te vinden in een moreel juiste verhouding tot de omgeving, de anderen. Echter goed doen uit egoïstisch motief levert slecht karma op. In de Khuddaka-Nikaya zijn verzen opgenomen, waarin gewezen wordt op de oorzaken van spirituele groei en spirituele neergang. deze benoemen voornamelijk de wenselijke en verwerpelijke relaties met andere mensen. Een voorbeeld is een gedeelte van vers 7: "De Paria":

".....
De man die boos is, rancuneus en hypocriet,
ontspoorde visies heeft en leugenachtig is,
hem moet men kennen als een paria.

Wie in deze wereld levende wezens kwetst,
of ze nu éénmaal of tweemal geboren zijn,
Hij die zijn vader of zijn moeder,
zijn schoonmoeder, zuster of broeder
slaat en met woorden kwaad maakt,
hem moet men kennen als een paria.

Het wezenlijke zelf
Het boeddhisme heeft een wat andere kijk op de samenstelling van de mens dan de abrahamitische godsdiensten. Is de westerse mens gewend te denken in een fysiek lichaam en een onsterfelijke geest (dualisme), Boeddha onderwees dat niets eeuwig is (anicca). Ook reïncarnatie is een illusie. Het opgebouwde karma veroorzaakt een nieuw wezen. Het nieuwe wezen is per definitie ziek en onrein. Wat een geest genoemd kan worden (hier in de betekenis van intelligentie), mist iedere stabiliteit . Toch is er in de belichaming een wezen gekomen dat de gelegenheid wordt geboden het ultieme inzicht van het Nirvãna te bereiken. Het Mahayana leert dat in ieder mens de Boeddhanatuur aanwezig is. Deze moet aan zichzelf herinnerd worden. Ieder mens is ooit al eens een Bodhisattva geworden (het bereiken van de verlichting, maar weer geïncarneerd om anderen te helpen de staat van het Nirvãna te bereiken), maar door gehechtheid aan de wereld is dit vergeten. Het innerlijke wezenlijke, de Bodhisattva, is dus via mededogen gekoppeld aan het bestaan van anderen.

De hemel-aarde as
Het Boeddhisme kent geen schepper-god. Wel godenwerelden. Visies op het ontstaan van de wereld vond Boeddha onzinnig. In het wereldbeeld is wel ruimte opgenomen voor goden, maar deze zijn hoewel machtig en relatief onsterfelijk, niet in een betere positie dan mensen. Zij kennen alleen goed (de godenwereld) of alleen oorlog (de hemelsfeer van de strijdende demonen) maar door het gebrek aan contrast en veranderlijkheid is er geen mogelijkheid om te groeien en de ultieme staat van het Nirvãna te bereiken. Anderzijds is er ook geen grote afstand tot de natuur (aarde) in het algemeen. De wereld van de dierlijke wezens is één van de zes werelden, waarin ook een mens geboren kan worden. Mededogen naar de dieren staat dus in principe gelijk aan mededogen naar mensen. De fysieke en ‘geestelijke’ wereld zijn configuraties van A href="boeddhisme.html#waarheideen">dhammadeeltjes, met als eigenschappen anicca en anata

De tijd as
De boeddhist leeft niet zozeer met een geschiedenis en een leven dat streeft naar een gelukzalige toekomst. Een mensenleven is een moment in een schakel van reïncarnaties. Hopelijk wordt in ieder leven goed karma opgebouwd, zodat in een volgend leven de uitgangspositie beter is, met het ultieme doel het Nirvãna te bereiken. In het Theravada is er de visie dat deze staat in dit leven op enig moment bereikt zou kunnen worden. In de modernere ontwikkelingen van het Boeddhisme wordt deze staat als onbereikbaar gedacht, tenzij je geboren wordt in het tijdperk van een prekende Boeddha op aarde. De boeddhist richt zich dan ook praktisch op het beoefenen van mededogen en in het algemeen het verkrijgen van “verdienste” voor een gunstig karma, waarvoor er gedrag is aanbevolen en in verschillende stromingen en streken ook rituele gebruiken zijn ontwikkeld.

De boeddhist heeft een ideaal toekomstbeeld voor ogen, maar het verlangen naar die toekomst creëert tevens de gehechtheid aan het bestaan. Ook het verlangen naar het Nirvãna zal moeten doven. Zolang het verlangen blijft bestaan, blijft de toekomst een herhaling van het verleden. Het streven van de boeddhist naar een heil kan in het beschreven model verstaan worden als het opheffen van de hexaëder, die slecht kan bestaan door ons verlangen. Bijzonder genoeg is in de platoonse visie dit platonische lichaam symbool van het materiële.

JUDAÏSME

De mens as
De anderen
De mens is geschapen naar het evenbeeld van God. Ieder ander mens is een ander evenbeeld van God. De anderen dienen dus met respect en eerbied bejegend te worden. Er is een vervulling in het bij elkaar zijn (zie hieronder ‘de hemel’). Rabbi Channanja ben Teradjon zegt: als er twee samen zitten en (wel) met elkaar over de Tora spreken, dan is de goddelijke sfeer (Sjechina) bij hen . Het joodse geloof is in de eerste plaats ook een geloof van een volk. Zonder het volk, waarmee God een verbond heeft gesloten, heeft de joodse religie geen functie. Het wordt vooral in de gezamenlijkheid beleefd en belijd. De nabije anderen zijn lotgenoten in dit bijzondere verbond. Er is geen bijzondere plaats voor de individuele verlossing, nee er is een verlossing voor de mensheid aan het einde der tijden en zolang het volk Israël de geboden die met dit verbond samenhangen onderhoudt, zal God zijn belofte gestand doen.

In het onderhouden van de wetten die de pilaren zijn onder het verbond met God, speelt de relatie met anderen een belangrijke rol. Van de tien geboden hebben er zes betrekking op andere mensen en vier op de relatie met God. In de Pirké Awot HIII vers 13 en 14, wordt op de vraag naar de beste richtlijn waar een mens zich aan houden moet, allen richtlijnen gegeven die te maken hebben met de omgang met anderen. Een goede en liefdevolle relatie met de anderen is met het onderhouden van de thora het middel om tot een rechtvaardig leven te komen, waarin heil en geluk te vinden is. Een moderne joods gelovige als Arthur Green (A.G.) ziet geluk in het vermogen lief te hebben in familie en vriendschappen, als bewijs voor het beeld van God waarin de mens is gemaakt. Juist dit vermogen tot liefhebben impliceert ook het vermogen pijn te voelen en kwetsbaar te zijn.

Het wezenlijke zelf
Hoewel er in het joodse geloof gesproken wordt over een geest, die door God wordt ingeblazen en een eeuwig leven heeft, is er weinig aandacht en verwachting over deze geest. Deze wordt niet persoonlijk beleefd met een persoonlijke verwachting over een volgend leven. Eerder is er sprake van een joodse ziel, een wezenlijk zelfbeeld dat de jood heeft over zijn bestaan, als onderdeel van het volk, dat een uniek verbond heeft met God. Dit verbond wordt onderhouden door het onderhouden van de wet waardoor hij een rechtvaardige kan worden. Er is sprake van een innerlijk dat vrij is van schuld of zich schuldig kan voelen ten opzichte van de afspraken die er bestaan tussen God en het volk.

De hemel-aarde as
De hemel
Met de hemel in dit model wordt het Goddelijke bedoeld. Voor het jodendom is dit JHWH, die hemel (het uitspansel) en aarde schiep en op de zesde dag de mens, als bekroning van de schepping. God heeft geschapen en schept nog steeds. Het Jodendom houdt zich minder vast aan de letterlijkheid van het scheppingsverhaal; er is ruimte voor een evolutie en men kan in de evolutie de groeiende vervolmaking zien van de schepping. God staat in een innige relatie tot de mens. De mens is geschapen naar het evenbeeld van God en spiegelt deze. Door de mens leert God zichzelf kennen. God als de Ene kan alleen onbewust zijn van zichzelf, er kan namelijk geen vergelijk en dus kennen zijn. Door de mens wordt er bewustzijn geschapen. Door de mens kan God gezien worden; kan er van de aanwezigheid van God getuigd worden. Daartoe moet God zich ook terugtrekken uit de schepping. De aanwezigheid van God zou alles verblinden tot de eenheid die God is. Door de afwezigheid van de Ene, kan de Ene gezien worden in het tijdelijke vele (tsiemtsoem). De mens kan gezien worden als partner in het bewust zijn van de schepping.

De aarde De aarde werd geschapen voorafgaande aan de schepping van de mens. Vervolgens werd de mens geschapen uit aarde met, volgens de traditie, de grond van verschillende plaatsen. De mens komt dus uit de aarde voort en dit impliceert een afhankelijkheid. Vervolgens kreeg Adam (verwant aan adama = ‘aarde’), de eerste mens, de opdracht alle wezens namen te geven. Het geven van namen is een mysterieuze daad, het hebben van een naam maakt iets gekend. Het is zelfs een scheppingsdaad. De onbewuste schepping wordt bewust gemaakt en juist daardoor is het er. De mens in het jodendom is dus enerzijds onderdeel van de aarde, maar tegelijk met een bijzondere positie. De afstand mens-aarde is niet zo groot. De dieren zijn medeschepselen waarin ook de grootsheid van God uit spreekt.

De tijd as
Het verleden
Het verleden speelt een belangrijke rol in de positiebepaling van de jood. De TeNaCH is qua vorm de geschiedschrijving van het joodse volk. In een duidelijk afgebakende tijdsspanne vanaf de schepping via de stamvaders van het joodse volk tot aan nu leeft de joodse mens in een continuüm met het verleden. Ook de recente geschiedenissen van de verwoesting van de tempel en de tweede wereldoorlog hebben een zwaar stempel gedrukt op het huidige zelfbeeld. Het joodse geloof bestaat uit het instandhouden van de waarden die in het verleden zijn ontstaan en de toekomst hangt juist af van deze instandhouding middels het uitvoeren van de wet en het levend houden van de Tora.

De toekomst
Het joodse geloof houdt een bepaald toekomstbeeld voor ogen van verlossing. Uitgekeken wordt naar de Messias, de verlosser, waardoor alles wat ooit in de geschiedenis fout is gegaan ten goede gekeerd zal worden. Het zullen de dagen zijn van de eeuwige Sabbat en God zal zijn almacht tonen, de doden doen herleven en onderwerpen aan het laatste oordeel. Dit valt samen met het opheffen van de onderdrukking van Israël en het herbouwen van de stad Jeruzalem. Om dit mogelijk te maken of tot een voorspoedig einde te brengen is het juiste handelen in het nu vereist. In het verleden zijn er vermeende verlossers geweest, bijv. Bar Kochba, die het toekomstbeeld van verlossing wilden afdwingen en probeerden Israël te bevrijden van het juk van de overheersers. Op korte termijn (in één menselijk leven) wordt er traditioneel een verband gezien tussen materiële voorspoed en een juist godsvruchtig leven. Geluk en heil komen hier bij elkaar. Dat dit niet altijd het geval is, wordt al uitvoerig behandeld in het boek Job, waar Job zich genoodzaakt ziet zijn ongelukkig leven te verklaren tegenover een zelfbeeld van een rechtvaardig mens.

CHRISTENDOM

In ieder geval ten opzichte van de voorgaande levensbeschouwingen lijkt de christelijke wereld de strijd aangegaan met de levensruimte van het beschouwde model. Met het christendom wordt nadrukkelijk bedoeld het christendom in de moderne tijd, die de periode van de Verlichting heeft ondergaan. Waar het boeddhisme de bestaanshorizon wil opheffen en het jodendom deze duidelijk definieert en viert, lijkt het christendom deze tot in het oneindige te willen opblazen. Maar laten we dit aan een nader onderzoek onderwerpen.

De mens as
De anderen
Door de Verlichting, ontstaat er een bewustzijn over het autonome zelf (Kant). Vrijheid, eerst een aspect van genade, door God om niet gegeven, wordt in deze tijd vooral ook de autonome vrijheid ten opzichte van God en anderen. Er ontstaat ook een bewustzijn over de anderen en de aanwezige tussenruimte, waarin de vrijheid bestaat om naar behoefte en inzicht te kiezen voor initiatief, affectie, liefde, respect. De moderne mens heeft zich ontworsteld aan het collectief en wordt geacht zelf te bepalen waar hij zijn heil vindt. Zijn afhankelijkheid van anderen is geabstraheerd door anonieme overheidsmaatregelen. (aanvankelijk gevoed door Christelijke noties over zorg en naastenliefde), waardoor de mens voor het eerst in de geschiedenis van de mensheid en masse kan opereren als een zelfstandig individu.

Het wezenlijke zelf
Met het spreken over zelfverwerkelijking en zelfontplooiing, doelen van mensen in een moderne christelijke setting, wordt er een innerlijk zelf verondersteld dat zelf weet heeft van zijn bestemming. Dit spanningsveld tussen een gegeven vanuit het verleden en een te realiseren doel in de toekomst is een eeuwenoude vraag van de westerse wereld. Er wordt in ieder geval gedacht aan een wezenlijk zelf dat het beeld draagt van het ideale wezen en dat initiator is voor de ontwikkeling naar de toekomst. Van de zes posities uit het hier gebruikte model, is dit wezenlijke zelf iets wat een nauwe relatie met de beleving in het hier en nu lijkt te hebben, zij het dat het in de moderne visies meer een open onbepaald beeld heeft, dan een vastomlijnd. Vanuit het te vermoeden maar niet vastomlijnde beeld van ons zelf, sturen we ons leven naar een geheiligd eindbeeld in een continu proces van ontwikkeling. Dat het eindresultaat van de ontwikkeling besloten ligt in een vooraf ingesloten ‘hoger zelf’ wordt rationeel hanteerbaar door de idee van de triniteit van ons bestaan en sluit ook aan bij de christelijke geschriften (N.T. Rom. 28-30).

De hemel-aarde as
De hemel
Sinds de Verlichting, die onlosmakelijk verbonden is met het christendom, kan er een concurrentiestrijd gezien worden tussen God en de mens waar het de verantwoordelijkheid en autonomie betreft. Hoe zelfstandiger en zelfverantwoordelijker de mens wordt, hoe verder God van de mens af komt te staan tot het punt waarop ook aan het bestaan van een God kan worden getwijfeld. God is niet meer nodig om ons bestaan en handelen te rechtvaardigen. God is dood. Moderne christenen zullen met dit spanningsveld worstelen en ieder zal een modus vinden om de afstand en relatie te definiëren.

De aarde
Het is tekenend voor het christendom dat deze weinig op heeft met de Aarde. In het woord "NATUUR" wordt precies dat aangegeven: iets NA-TUREN, dat zich steeds verder van ons verwijderd. Traditioneel wordt een leven op aarde in verband gebracht met zonde en is de focus van het christelijk denken toch vooral de relatie met God. Als er al vanuit het christendom wordt gesproken over een (positief te waarderen) relatie met de aarde, dan is dat met het woord ‘rentmeesterschap’, hetgeen duidt op de grote afstand en een relatie van meesterschap over de Aarde die de christelijke mens hierover ziet. Met en van de Aarde wordt geen heil verwacht.

De tijd as
Het verleden
Het christendom is een zijloot van het jodendom en deelt hierin de noties over de schepping en de daaropvolgende geschiedenis van de mensheid. In het verleden zijn misstappen (Grieks: harmatia) begaan waardoor de christen leeft met het idee van het leven met de erfzonde. Door de wetenschap is de tijdas naar het verleden echter enorm verlengd. Het idee van een erfzonde zal voor veel christenen moeilijk te handhaven zijn. De mens als individu wordt hiermee verlost van het verleden en wordt verantwoordelijk voor zijn daden in het hier en nu. Het abstracte en onpersoonlijke ‘harmatia’ is dan ook in het huidige idee over zonde getransformeerd tot de persoonlijke daad van zonde, waarover je verantwoording moet afleggen.

De toekomst
Zowel door de invloed van de wetenschap als een abstractere theologie over de komst van het ‘koninkrijk Gods’, is ook de as naar de toekomst oneindig lang. Er wordt gedacht in ontwikkelingsmodellen, waarbij een einddoel misschien bepaald, misschien ook onbepaald d.w.z door mensen in te vullen is. Naast de verre toekomst voor de mensheid is er uiteraard de nabije toekomst voor het individu. Een geheiligde toekomstsituatie is misschien te verwachten na het overlijden, maar in ieder geval niet in het leven. Zonder nu naar onderzoeken te hebben gezocht over de gangbare visies over het hiernamaals, lijkt het me dat moderne christenen worstelen met de beeldvorming daarover. Ook de idee van reïncarnatie vindt opgang. Over de persoonlijke geheiligde toekomst zweeft een onbepaaldheid. Ieder individu moet zelf bepalen hoe hij/zij die toekomst voorstelt. In het licht van de enorme wijdte van het verleden en de onzekerheid over de toekomst, ontstaat er een pleinvrees, waarin de uitroep gehoord kan worden: “wat is de zin van het leven?”

REFLECTIES

Het gebruikte model geeft een verrassend beeld van de beleefde positie van de mens in de drie levensbeschouwingen. Het boeddhisme bevrijdt zichzelf van de ruimte (of gevangenis) van het mensbeeld door de ruimte te imploderen, het moderne christendom door deze te exploderen. Het jodendom houdt vast aan de door de geschriften gegeven bepaalde ruimte en viert deze met waardering en eerbied met elkaar en door het jaar heen. Dit is uiteraard een beeld dat niet door de betrokkenen zo bewust wordt beleefd en gedeeld. Het is een gechargeerde conclusie, voortkomend uit het gebruikte model, wat wel interessante beschouwingen kan opleveren. Het is bijvoorbeeld interessant om de recente ontwikkelingen in het westen te beschouwen vanuit het idee van de gecreëerde vrijheid door het exploderen van de beleefde ruimte. Eerder is al genoemd de pleinvrees die ontstaan is in het christendom. Met recht vragen mensen zich af: “Hoe overleven we de vrijheid?” Het vraagt om herdefiniëring van de ruimte. Fundamentalisme van welke stroming dan ook is één van de antwoorden, te vergelijken met het angstvallig vasthouden van de overzichtelijke begrenzingen van de ruimte. Postmodernisme lijkt terug te grijpen op theologische begrippen om op een andere manier de ruimte acceptabele begrenzingen te geven . De populariteit van het boeddhisme kan wellicht ook hieruit verklaard worden. De boeddhist kan zeggen: “er is geen plein, dus geen pleinvrees ” en keert naar binnen.

verbeelding van het heil

In deze drie figuren is grafisch het ruimtebeeld van de mens weergegeven in de drie religies Boeddhisme, Jodendom en Christendom. Merk op dat de veel voorkomende beeldtaal samenhang vertoont met de conclusies

© J.H. van Splunter 2009. Overnemen is toegestaan; bronvermelding wordt op prijs gesteld.