Model I, Model II en Model III
Er worden drie evolutie-stappen onderscheiden in de ontwikkeling van mensen. Kort aangegeven met Model I, Model II en Model III. Dit ontwikkelingsproces is nog in volle gang. Met dit inzicht kunnen we de maatschappelijke stromingen en spanningen goed begrijpen.
Een individu wordt geboren in een groep. De behoefte aan voedsel en veiligheid zal het individu dwingen zich te conformeren aan het geheel en deel te nemen aan de cultuur. In een Model I situatie (L.A.; G.) is het individu en het collectief één geheel (de Borg uit Star Trek). Ontwikkelingen gaan langzaam, omdat één individu zich niet anders kan gaan gedragen of niet toegestaan wordt alternatieven te ontwikkelen. Uitstoting uit de groep staat gelijk aan doodgaan. De zoon wordt schoenmaker omdat de vader dit was. De kleinzoon zal ook schoenmaker worden. Schoenmaker, houdt je bij je leest! A.C. spreekt in dit geval van een natuurlijk regelsysteem. De verbintenis met de natuur is groot en onontkoombaar. Voorbeelden zijn bijv. de bosjesmannen, de aboriginals en andere natuurvolken. Arnold Cornelis legt verband met het matriarchaat als eerste stadium in de menselijke ontwikkeling. De veiligheid en zorgzaamheid van de moederschoot en alles wat de sociale groep vertegenwoordigt, zijn de eerste bronnen van identificatie. De ontwikkeling van een kind volgt de ontwikkeling van de evolutie. Model I is de wereld van het kind. Het kind is tevens de volwassene. Er bestaat in dit stadium van menselijke ontwikkeling nauwelijks onderscheid tussen kind zijn en volwassen zijn. Een kind is een kleine volwassene. God is een moeder, vrouwelijk, die de mens vormt als een pot uit klei, die met manna komt als het kind hongerig is.
In een Model II situatie is er het bewustzijn van het individu en die
van het collectief. Het individu kan rebelleren tegen het
collectief (pubertijd), de schoonmakerszoon wordt dokter. Of het
individu zal zich conformeren met het gevoel zich erbij neer te leggen.
In alle gevallen is het bewustzijn van de eigen unieke identiteit
aanwezig. De twee van Model II impliceert strijd, tweedracht,
spanning. De ontwikkeling van Model II culturen kan stormachtig zijn en
zich versnellen, zoals de Westerse cultuur, omdat het voor individuen
mogelijk is om nieuwe ontwikkelingen aan te gaan. Bij bewezen
nuttigheid kan deze ontwikkeling vervolgens door het geheel
geassimileerd worden. Model II impliceert ook een afstand tot de
natuur. De natuur kan van een afstand worden beschouwd en zelfs als vijandig worden
gezien, iets wat beheerst moet of kan worden.
Arnold Cornelis legt verband met het ontstaan van monotheistische Vader godsdiensten. Was
in Model I de vader een aanwezigheid in het semi-bewuste, in Model II
wordt het kind zich ook bewust van de vader. “Ik ben mama” krijgt competitie
van “Ik ben papa”. De vaderrol breekt het kind uit de identificatie met
de moeder en het kind zal daardoor gedwongen worden de eigen identiteit te gaan
zoeken. God wordt een man die het vrouwelijke als een verhindering ziet
van de eigen ontplooiing. God wordt daarboven in de hemel gezocht.
Letterlijk wordt in de ontwikkeling van Model II de natuur en natuurgoden achtergesteld. Het natuurlijk regelsysteem (AC) wordt
verfoeid en daarvoor in de plaats komen sociale regelsystemen, met
competitie als uitgangspunt. Strijd, oorlog, tirannie, uitbuiting en
alle andere kwalijke gevolgen van macht en machtsuitoefening worden
onvermijdelijk dagelijkse kost in de wereld van Model II. AC legt
verband met de mythe van de zondeval, waarin Eva (de vrouw) de schuld
krijgt van de uitstoting uit het paradijs (het natuurlijke
regelsysteem), omdat het nu eenmaal de wet van de overwinnaar is om de
geschiedenis te schrijven en de vijand de schuld te geven van narigheid.
Esoterisch gevormde denkers als Gurdjeff en Leo Armin
komen op basis van de natuurwetten tot dezelfde inzichten. Model I wil
zeggen: éénheid, harmonie. Model II veronderstelt tweestrijd, wij en zij,
competitie én bewustzijn, kennis hebbend
over goed én kwaad.
In een Model III cultuur (nog geen uitgesproken voorbeeld, wel
tendensen) is het individu vrij in een groot systeem. Persoonlijke
ontplooiing is ingebed in een cultuur van mogelijkheden. A.C spreekt
van een cultuur met communicatieve zelfsturing. Er is niet
één individu dat moet rebelleren, maar ieder is een
individu dat tot keuzes kan komen op basis van verworven intelligentie
(door goede onderlinge communicatie). Ieder maakt zijn/haar eigen
wereldbeeld en andersom zal een cultuur niet één
gevestigd wereldbeeld opdringen aan een individu. De discussie rond het
dragen van hoofddoekjes is een uiting van een Model II cultuur die zich
verandert in een Model III cultuur. De fundamentalistische christelijke cultuur anno 2006 verzet zich tegen
hoofddoekjes op straffe van uitstoting uit de maatschappij; de orthodoxe islamitische cultuur gebiedt het dragen van
hoofddoekjes op straffe van uitstoting uit die cultuur. Het arme meisje
dat nu in haar tienerjaren in dit conflict geboren wordt, zal angstig
zijn (uitgestoten worden door de één of de ander),
vervolgens boos, en hopelijk daarna verdrietig, zodat de emoties
verwerkt kunnen worden in begrip. Hopelijk draagt ze bij aan het
geboren worden van een Model III cultuur, die háár laat kiezen waar
ze haar waarden en normen aan ontleent. Open onbelemmerde communicatie
is onontbeerlijk.
De natuurwetten maken de voorspelling mogelijk dat model III weer
ruimte zal geven aan de overheersende rol van het vrouwelijke. Want de
esoterische natuurwet zegt: 3=1, dat wil zeggen dat de kenmerken van het
eerste stadium Model I weer terugkeren, uiteraard met een hoger
bewustzijn. Het stadium van communicatieve zelfsturing, dat AC toekent
aan Model III wijst ook naar die
richting. Hersenonderzoek in de jaren '90 heeft aangetoond wat we
allemaal al wisten, namelijk dat vrouwen veel meer en beter kunnen
communiceren. Voor de volgende evolutiestap die zich aan het voltrekken
is, is de vrouw beter toegerust!