essay

Rechtvaardigheid

juni 2011

Het woord rechtvaardigheid spreekt een diepgeworteld gevoel aan van eerlijkheid (billijkheid, fairness) over wat zou moeten zijn met betrekking tot welzijn en relaties, zowel tussen mensen als in transcendente zin. God heet rechtvaardig te zijn, men vindt het een intrinsieke eigenschap van het spirituele. Dit artikel verkent eerst de heersende opvattingen over rechtvaardigheid en komt dan tot een definitie. Tenslotte verkennen we wat spirituele rechtvaardigheid zou kunnen zijn.

Het concept rechtvaardigheid kent twee[5] fundamentele houdingen over eerlijkheid, die niet altijd uit elkaar worden gehouden.

Rechtvaardigheid in het economisch verkeer
Het toekennen van goederen naar werk en inzet. Waarin gelijke gevallen gelijk worden behandeld en ongelijke gevallen in evenredigheid behandeld worden. Aristoteles schreef hier al over in Ethica Nicomachea. Een bijzondere vorm hiervan heet ruilrechtvaardigheid, het principe dat een partij een goed geeft en hiervoor iets anders –van gelijke waarde- terugkrijgt. Uiteraard wordt bevonden gelijkwaardigheid door de vrije markt van waarden bepaald. Het gevoel van rechtvaardigheid is in ieder geval eenvoudig te begrijpen als een fundamenteel beginsel in een succesvolle sociale gemeenschap. Ik doe iets voor de gemeenschap met de verwachting dat de gemeenschap iets terug doet voor mij, al is het maar het bieden van veiligheid en geborgenheid en een identiteit. Ontbreekt dit beginsel van ruilrechtvaardigheid, dan worden de leden daarvan onderdrukt, uitgebuit of ten minste onrechtvaardig behandeld.

De rechtvaardigheid voor een grotere zaak
Hieronder valt het concept sociale rechtvaardigheid, wat staat voor het beogen van het algemeen welzijn met opzij schuiven van het eigen belang. Dit principe, als het verder wordt uitgewerkt, brengt ons bij het Marxisme, waar het eigenbelang geheel opgaat in het collectieve belang. Een moderne vorm van rechtvaardigheid voor een grotere zaak is duurzame rechtvaardigheid. Dit staat voor het streven, als onderdeel van de filosofie van Duurzame Ontwikkeling[1], naar een zo eerlijk mogelijke verdeling van goederen en diensten onder de lokale en mondiale bevolking, gericht op langdurig welzijn van die bevolking. Hierin wordt men zich bewust van het gegeven dat duurzaam welzijn ook impliceert het op duurzame wijze omgaan met het aardse milieu.

Een verhaal
Hodja[2] kwam eens een troep ruziënde kinderen tegen. Bij het zien van de gerespecteerde Hodja, wendden de kinderen zich tot hem. "Wij hebben een zak met allerlei snoepjes en weten niet hoe deze eerlijk te verdelen", riepen ze, "Kunt u ons helpen?" Hodja vroeg toen: "Willen jullie een eerlijke verdeling volgens de mensen of een eerlijke verdeling volgens Allah?" De kinderen antwoordden zonder aarzelen en eensgezind “volgens Allah!” Daarop greep Hodja de zak snoep en stak zijn hand erin om een greep te doen. Deze gaf hij aan het eerste kind. Dit deed hij verschillende malen tot hij alle kinderen wat had toebedeeld. Echter ieder kind had een andere hoeveelheid gekregen; de laatste zelfs helemaal niets. De kinderen beklaagden zich; ze hadden een toch een eerlijke verdeling gewenst? "Hodja dit is niet eerlijk!", zeiden zij. Daarop zei Hodja: “jullie vroegen te delen volgens de wijze van Allah, welnu Zijn gerechtigheid is ondoorgrondelijk”

Dit verhaal verhaalt op treffende wijze over dilemma’s aangaande rechtvaardigheid. We worden geconfronteerd met de ongelijkheid van omstandigheden van mensen. Talenten en kansen zijn niet gelijk verdeeld. We vinden hierin geen berusting; we zoeken verklaringen hiervoor in de vorm van een spirituele rechtvaardigheid met als uitgangspunt het goed te begrijpen concept economische rechtvaardigheid. Maar is dit terecht? Wat zou spirituele rechtvaardigheid ook kunnen zijn?. Is er wel zoiets als spirituele rechtvaardigheid te onderscheiden van economische rechtvaardigheid? Hoe kunnen we de rechtvaardigheid van God verstaan anders dan een eenvoudige ruilrechtvaardigheid zoals in [Bijbel,Spreuken 10:3] blijkt?.

Rechtvaardigheid volgens het Oude Testament is vooral een vroom leven volgen, dat wil zeggen, het doen van de verplichte rituelen en leven volgens de 613 mizwot[3]. Rechtvaardigheid staat tegenover goddeloosheid [Bijbel,Spreuken 10:7]. De algemene opvatting was dat God hen beloont die zich houden aan de wet [Bijbel,Job 4:7-9]. In het boek Bijbelse Job wordt deze opvatting verkend en verdiept. De Bijbelse Job ziet zijn vrome leven beloond met een welvarend bestaan totdat alles van hem wordt afgenomen. Zijn armoedig bestaan kan een reden zijn God aan te klagen, want het is onrechtvaardig. Zijn omgeving vermoedt dat Job toch niet zo vroom is geweest; hij heeft vast een zonde begaan. Is spirituele rechtvaardigheid niet meer dan ruilrechtvaardigheid? In de opvatting van het Oude Testament lijkt dit wel het geval. In het hindoeïsme is het niet veel anders. In het hindoeïsme wordt het doen van rituelen, meestal een geritualiseerde vorm van het brengen van een offergave aan de goden, beloond met goed Karma. In meer moderne tijden (d.w.z. met het Boeddhisme circa 500 v.Chr.) wordt goed Karma ook het resultaat van goed (=sociaal) handelen.

Job verkent de grenzen van spirituele ruilrechtvaardigheid. Uit te praktijk weten we nu eenmaal dat God's wegen ondoorgrondelijk zijn en en zich niet houden aan de regels van economische rechtvaardigheid. Job komt uiteindelijk tot een andere opvatting ten aanzien van rechtvaardigheid. God’s almacht verdient rechtvaardigheid als houding, die begint met het erkennen van God als schepper, van wie alles afhankelijk is en het is niet aan de onmachtige naar zijn of haar norm een beloning te eisen. God beging de eerste actie: het scheppen van de wereld. De wereld is in een rechtvaardig respons daarop: het leven en het loven.

Ieder individu of wezen is afhankelijk van een groter systeem of holon. Dat erkennen en ondersteunen komt het eigen bestaan altijd ten goede, niet direct of concreet, dan wel in het algemeen. Dus er is toch een vorm van ruilrechtvaardigheid zichtbaar. We kunnen dan tot de volgende definitie komen:

Definitie: Rechtvaardigheid begint bij het erkennen van een systeemgrootheid en het doen van die handelingen die dat systeem bestendigen en het onthouden van die handelingen die het systeem kunnen schaden.

Deze definitie vangt m.i. beide opvattingen over rechtvaardigheid. Hierin wordt het begrip systeem en systeemgrootheid gebruikt, waarover meer is geschreven bij holisme en vrije wil. Een systeem kan een mens zijn, maar ook een ecologie of een entiteit, één van de goden of de God. Rechtvaardigheid is dan automatisch ook duurzame rechtvaardigheid en sociale rechtvaardigheid.

Als systeem is een mens een bijzondere; ieder mens is een universum op zich, elke ziel is uniek. Het spirituele uitgangspunt dat iemand of eigenlijk elk wezen of essentie iets wezenlijks vertegenwoordigd en gerespecteerd dient te worden zoals die is, is een beginsel van rechtvaardigheid. Een Romeins rechtsbeginsel (in juridische zin) luidt: suum cuique tribuere =”ieder het zijne geven” [4]. Dit is een rechtsbeginsel dat gezien kan worden als een consequentie van een natuurlijk principe genaamd: “gelijke zaken trekken elkaar aan”. Het principe van resonantie valt hier ook onder. De samenstelling van een wezen zal gelijkvormige zaken aantrekken. Dus wat je toekomt of toebedeeld krijgt is wat je aantrekt door de eigenschappen van jouw wezen. Tenslotte is het “je wordt wat je denkt” een verlengstuk van dit principe en het Romeinse suum cuique tribuere.

De grote vraag die zich nu laat zien is; Is alles wat je overkomt een gevolg van toeval (in de betekenis van kans) (zoals toevallig Satan een weddenschap aangaat met God over Job) of van al dan niet bewust gemaakte keuzes, dus de samenstelling van je eigen wezen? Ervaring leert dat deze vraag waarschijnlijk niet juist is. De formulering “alles is of dit of dat” is meestal niet voldoende. De vraag brengt ons namelijk ook bij de aloude vraag naar bestaan van vrije wil, een concept welke in het betreffende artikel met goede argumenten al vervangen wordt met nijging, kans en externe dwang [M&B]. In het leven is een element van kans (toeval) niet uit te sluiten. Dit geeft al een opening voor onrechtvaardige situaties. Dit geldt ook voor “externe dwang”, omdat deze geen rekening houdt met het individuele wezen, maar gevoed wordt door de belangen van een hoger systeem. Het nederig erkennen is een daad van rechtvaardigheid van de afhankelijke. Rechtvaardigheid is dus niet automatisch symmetrisch, in de zin van gelijk oversteken (ruilrechtvaardig) tussen twee partijen. Als partijen verschillen in rangorde (de een is dan afhankelijk van de ander) kan de afhankelijke ogenschijnlijk onrechtvaardig bedeeld worden. Het principe van rechtvaardigheid kan dus hard zijn. Maar het finale oordeel hierover is moeilijk te maken.

Rechtvaardigheid hoort al snel thuis bij de morele dilemma’s, welke alleen goed opgelost kunnen worden in de bewustzijnslagen Smaragd, Saffier en Aquamarijn. Vanuit Saffier wordt het besluit genomen vanuit de overweging van het zwaarste belang, maar Smaragd beziet het individu met mededogen en brengt de balsem van spirituele redding (salvation) aan op de wonden die worden aangebracht.

Justitia

Justitia, de personificatie van de rechtspraak, wordt sinds de 15e eeuw afgebeeld met een blindoek. De symbolische betekenis is dat er recht gesproken zou moeten worden zonder aanziens des persoons. In meer moderne rechtspraak wordt er wel degelijk gekeken naar de persoon; er zijn vaak verzachtende omstandigheden. Een bestrafbare daad is bijvoorbeeld niet verricht uit vrije wil, of er zijn opzich te begrijpen motieven geweest. Vrouwe Justitia met ogen open is te verkiezen. Er gaat een "Ja ik zie jouw wezen" vanuit. Hoewel de weegschaal (gereedschap van Aquamarijn) en het zwaard (gereedschap van Saffier) tot een veroordeling komen is er de vrouwe die met compassie de verdoordeelde beziet.

© J.H. van Splunter 2011. Overnemen is toegestaan; bronvermelding wordt op prijs gesteld.