Essay

Zingeving in een nieuwe tijd

essay, Job van Splunter, december 2007

Het is eigenlijk merkwaardig dat de antwoorden op contingentievragen in de loop van de menselijke geschiedenis veranderd zijn, of dat de antwoorden in verschillende culturen anders zijn. Zijn er dan geen echte antwoorden? Zijn gegeven redenen voor het leven of het lijden dan geruststellende sinterklaasverhalen? Moeten we ons erbij neerleggen dat er geen beeld kan zijn over de zin van het leven dan die waarin je zelf gelooft? Ik denk dat dit thema de grondmotivatie is voor mijn persoonlijk zoeken en de belangstelling verklaart voor mijn interesse in verschillende levensovertuigingen. Misschien is er tussen alle verschillen ook een rode draad die iets verraadt van een universele waarheid. Antwoorden op de zin van het leven zijn zich aan het veranderen t.o.v. de christelijk getinte antwoorden van een 50 jaar terug. De evolutie van menselijke ontwikkeling schrijdt voort en wij passen ons zich daarbij aan. Het leek me boeiend om het thema zingeving eens langs de lat van de door de cultuurfilosoof Anton Cornelis (A.C.) beschreven drie ontwikkelingsstadia van de mens te leggen. Een gegeven zinnigheid in een cultuur is waarschijnlijk niet willekeurig, maar vormt een zich ontwikkelend thema met (hopelijk) een groeiende diepgang en waarachtigheid.

Waar ben ik?

Op reis in het buitenland hoor je dikwijls de vraag: “Waar kom je vandaan?”, meestal gevolgd door: “Waar ga je naar toe?”. De eenvoudigste manier is dit te interpreteren als het vragen naar een fysieke locatie. Deze vragen zijn ook overdrachtelijk te nemen. En deze vragen zal een mens zich ook wel eens stellen op een van die kostbare evaluerende momenten, waarin behalve het voorbije leven ook de bestemming van het leven wordt afgetast. Als mens ben je altijd op weg ergens naar toe, op weg naar morgen. De één op weg naar het eerste miljoen, de ander op weg naar een onsterfelijk leven. De positie waar je denkt in het hier en nu te zijn en de doelen die je denkt te moeten behalen, bepalen het handelen. Onder dezelfde zon spelen zich verschillende verhalen af.

Op een wandelvakantie in Turkije, een land waar het nog niet is doorgedrongen dat wandelen zelf een doel kan zijn, werd ik geconfronteerd met de vraag: “Wat is er in Baçele?”, mijn vermeende einddoel van een trektocht. Voor de gemiddelde Turk is het lopen een noodzakelijkheid voor ‘sukkels’ die geen auto hebben. De reden voor het lopen, het doel, moet dan wel de moeite waard zijn. Baçele had echter niets anders te bieden dan een eindpunt van een trektocht en een hoofdweg om verder te reizen. Het antwoord bleek onbegrijpelijk voor de vraagsteller. Als wezensvreemde aliens voor elkaar groetten we elkaar vaarwel. De zinvraag van de autochtoon kon niet beantwoord worden in de termen van zin van de trekker. Dit voorbeeld van botsende zingeving laat nog iets anders zien, een zekere asymmetrie. Ik had namelijk de vraag aan hem kunnen stellen over wat er voor hem in Baçele is. En zijn antwoord had ik wel kunnen begrijpen, dat antwoord is in grote lijnen overeenkomend met mijn antwoord waarom ik in Nederland woonachtig ben, een antwoord rond termen als familie, wonen, werk, geboorteplek etc. Mijn verhaal over de werkelijkheid, omvat wel zijn verhaal, maar niet omgekeerd.

Dieren hebben nog weer een ander bewustzijn van de werkelijkheid. Nu is het wellicht gevaarlijk om allerlei veronderstellingen te doen over het bewustzijn van dieren; daar is toch meer van aanwezig dan we eerst dachten. Maar in zoverre dat is getest, zijn er waarschijnlijk geen contingentievragen bij dieren. Toch zijn de motieven voor het gedrag van dieren ook terug te vinden in mijn handelen, misschien zelfs voor een zeer groot deel. Daarbij denk ik aan veiligheid, voedsel en seks. Ik begrijp dieren in hun handelen door de herkenbaarheid. Maar er is meer, een extra bewustzijnslaag. Ik kan kijken naar wat ik wil en doe en me daarvan afvragen wat daar de zin van is. Wat is de zin van werken als het mij alleen in stand houdt om te werken? Wat is de zin van leven als het alleen gaat om de voortplanting van dat leven? Ondertussen weten we dat veel gedrag bepaald wordt door de onbewuste motivatie de eigen genen voort te planten. Een recent symposium in Leiden met evolutiebiologen en literatuurwetenschappers is geïnspireerd op het inzicht dat veel thema’s in literatuur draaien om het toegang verwerven bij vrouwen om de eigen genen voort te planten. Het gedrag van politieke leiders en helden kan één op één vergeleken worden met het gedrag van alpha-mannetjes in een groep gorilla’s. Ondertussen denken we gestuurd te zijn door God om de natie te leiden of een eeuwig leven te verwerven door eerlijk en hard te werken. Een voor de hand liggende conclusie zou kunnen zijn zin overboord te zetten en een mensbeeld neer te zetten dat overeenkomt met die van een slimme apensoort waarvan de groep en groepsleden zich laten sturen door eigenbelang. We gaan misschien echter voorbij aan een wezenlijke onderscheid dat onze soort scheidt van slimme primaten. Het punt dat ik hier wil maken is het verschijnsel overtreffend bewustzijn. We zijn ons als mensheid (niet noodzakelijkerwijs de individuele mens) bewust geworden van onszelf, onze positie en ons doen en laten. Een handeling staat niet meer alleen in relatie tot een prikkel, maar krijgt ook relaties met verleden en toekomst en gewenste verre doelen. De vraag “waarom?” veroorzaakt rimpelingen in de tijd die als een echo referentiedoelen zichtbaar maken. Aan de hand van die referentiedoelen bepalen we onze weg en geven we ons gaan zin.

We maken als mens een soort kaart van de wereld waarin wij opereren. Niet een kaart van locaties en wegen, zoals in de topografie, maar een kaart van geschiedenis, mythe en zinvolle doelen, de mentale kaart van de werkelijkheid. Deel van de werkelijkheid is niet slechts de volgende maaltijd of de volgende slaapplaats, maar ook het verhaal waarin dat zich afspeelt. We zijn ons als mensen bewust van een wereld waar niet alleen de dingen van de dag een rol spelen, maar vooral ook de mogelijkheden en dromen die mensen maken over de werkelijkheid. Deze werkelijkheid wordt gedragen door de cultuur waar het individu een deel van uitmaakt. Daarin krijgt het handelen een predikaat in de vorm van zinvol of zinloos. Zingevingvragen als: “Waarom ben ik hier?”, “Gaat mijn leven na de dood door?”, “Is wat ik doe nog zinvol?”, zijn sturingsvragen, te vergelijken met: “Waar ben ik?” en “Waar gaan we naar toe?” tegen de achtergrond van de mentale kaart van het leven.

Twee van drie ontwikkelingslagen

Net als de ontwikkeling van aardrijkskundige kaarten, kunnen we verwachten dat de mentale kaarten waarop we ons oriënteren als we naar de zin van het leven zoeken, aan verandering onderhevig zijn. Filosofen, wetenschappers en ontdekkingsreizigers hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van de topografische kaart. Hoe zit het met de genoemde mentale kaart waarop wij varen? De cultuurfilosoof Anton Cornelis schetst in zijn boek ‘Logica van het gevoel; Filosofie van de Stabiliteitslagen in de Cultuur als nesteling van de Emoties’ een bruikbaar ontwikkelingsmodel van de mentale kaart in de mens in drie fasen, die hij stabiliteitslagen noemt. In een dergelijke laag vindt het gevoel ‘rust’; de emoties kunnen zich daarin ‘nestelen’. Deze rust schept de noodzakelijke stabiliteit van waaruit de wereld tegemoet wordt getreden.

De menselijke gemeenschappen beginnen als een natuurlijk systeem. Met organische sturing als belangrijkste element. Eten, drinken, voortplanten, sociale geborgenheid en ook geborgen identiteit zijn de thema’s van de eerste stabiliteitslaag. We kunnen daarbij denken aan kleine gesloten gemeenschappen waar dat een rol speelde en nog steeds speelt. Ervaring is gelijk wijsheid; ervaring is het kennen van alle mogelijkheden van de gemeenschap en de ouden geven deze zekerheden door aan de volgende generatie. De rollen liggen vast; de schoenmakerszoon wordt schoenmaker de dochter wordt moeder. Zingevingsvragen ontbreken enerzijds door gebrek aan vergelijking en anderzijds zijn de antwoorden op dergelijke vragen op een natuurlijke manier alomtegenwoordig. Zorgen voor de familie, zorgen voor de kinderen, zorgen voor ouders, wellicht voorouders zijn natuurlijke gegevenheden. Door de geringe onderlinge tegenstrijdigheid in individuele mentale kaarten en permanentie van de waargenomen werkelijkheid is er geen waarneming over de mentale kaart zelf. Een omgeving die nooit verandert is moeilijk waar te nemen. Bewustwording is namelijk vooral een bewustwording van verschil. De mythen en de mythische stamgeschiedenis omgeven de werkelijkheid, verklaren de verschijnselen en ondersteunen de persoonlijke identiteit en eigenwaarde. De geborgenheid wordt ook gegeven door de relatie met de ongeziene wereld. Via rituelen wordt hiermee een relatie onderhouden op een min of meer gelijkwaardig niveau en net zoals er ook relaties worden onderhouden met leden van de groep. Ik doe een offer(ritueel) en kan iets terug verwachten. De onderlinge relaties met geziene en ongeziene wezens zijn contractueel vastgelegd.

De volgende laag van ontwikkeling noemt Cornelis het sociale regelsysteem. Kleine gesloten systemen komen op een gegeven ogenblik in contact met elkaar. De dominante partij gaat overheersen; de sociale structuren worden minder overzichtelijk en er sprake van differentiatie in maatschappelijke structuren. De mentale kaarten van individuen sluiten niet meer op elkaar aan. Dit vraagt om een grotere kaart om de werkelijkheid te omschrijven. Wanneer is de ontwikkeling van die tweede stabiliteitslaag begonnen? Anton Cornelis plaatst dit in de 18e eeuw, toen Rousseau zich bewust werd van de ‘edele wilde’ versus de ‘moderne maatschappij’. Echter, de moderne maatschappij was er toen dus al. Ik zou, op het idee gebracht door Karen Armstrong (K.A.) , deze groeispurt willen plaatsen in de zogenaamde spiltijd, de periode tussen 800 en 200 v. Chr. Dit tijdperk kenmerkt zich door grote omwentelingen van stamculturen naar feodale culturen. Het betekende een crisis voor de geldende mentale kaarten. Ze voldeden niet meer in hun betekenisgeving. De grote religies en filosofische systemen ontstonden in deze tijd. Er werden als het ware nieuwe mentale kaarten gedrukt en onderwezen die beter voldeden. De tweede bewustzijnslaag is in zoverre net zo opgebouwd als de eerste, dat er gelijkvormige kaarten worden doorgegeven aan volgende generaties. Waar in de eerste laag de mentale kaarten echter nog op natuurlijke wijze aan de omgeving werden ontleend, maakt de toegenomen complexiteit van de maatschappelijke structuren onderwijs als medium om mentale kaarten door te geven noodzakelijk.

In een sociaal regelsysteem kun je als voetknecht in een leger strijden voor de eer van de krijgsheer; je leven opofferen is zinvol. Als steenhouwer kun je een tiental jaar bezig zijn met het maken van een geveldeel voor een kathedraal. Ook dat is zinvol. De zinvolheid van deze bezigheden kunnen alleen benoemd worden tegen het licht van grote complexe mentale kaarten. Deze mentale kaarten werden en worden dan via de maatschappelijke systemen geïmplanteerd in de individuele mens. Aan de mentale kaarten herkennen we de cultuur. Religie, mythen en geschiedenisverhalen maken onderdeel uit van de mentale kaart. Opvoeding, onderwijs, zondagsschool, opvoedkampen, de preek van de kansel, en niet te vergeten de taal die we gebruiken worden de media waarmee de mentale kaart van een cultuur overgedragen wordt op het individu. Tegelijkertijd verdien je binnen de grote doelen van de maatschappij een bestaan voor jezelf en je dierbaren; de natuurlijke drijfveren van de eerste cultuurlaag blijven bestaan. De tweede cultuurlaag, het sociale regelsysteem, is dus niet anders (een differentiatie), maar een verheffing t.o.v. de eerste cultuurlaag. Bovenop de eerste, het natuurlijk regelsysteem, ontstaat als tweede cultuurlaag een andere structuur die grotere belangen een plek geeft. We kunnen ook zien dat de Goden groter en machtiger worden en uiteindelijk vervangen worden door de Ene God. God is geen partner meer met wie je een contract sluit; God is de heer der heerscharen aan wie je horig bent. We worden daar ondergeschikt aan en moeten Hem dienen. Dat is zinvol. De zingevende doelen lijken zich echter niet in het hier en nu te bevinden, maar vooral later, in een volgend leven, in een paradijs. Een voorbeeld is het idee dat als je bouwt aan een moskee, hetzij letterlijk, hetzij door donatie, je een plaats bouwt voor jezelf in het paradijs. Dit lijkt allemaal heel manipulatief, alsof machtige individuen ergens een systeem in elkaar sleutelen om de massa voor het eigen karretje te spannen. Hoewel de geschiedenis leert dat dat ook voorgekomen is, kunnen we ons echter ook voorstellen dat de logica van het gevoel naar waarachtige inzichten stuurt, omdat deze inherent in het systeem aanwezig zijn. De taal en beeldvormige uitdrukking ervan zal altijd afkomstig zijn van gekende beelden. Maar wellicht is elke vernieuwende verwoording van een betekenisgevingssysteem er ook één die dichter aansluit bij de niet te kennen werkelijkheid. Om dit verder te verduidelijken een intermezzo:

Intermezzo: De logica van het gevoel

Arnold Cornelis poneert dat al het menselijk kennen herkennen is (en daar sluit ik me graag bij aan). Een bewustwordingsproces van een logica waarvan we onbewust al wisten. Dit onbewuste weten zou je gevoel kunnen noemen. Cornelis illustreert dit aan de hand van het voorbeeld van een kind dat geboren wordt en begint met ademhalen. Het organisme ‘weet’ dat er zuurstof is die ingeademd moet worden. Dit is logisch ingebouwd in de organische zelforganisatie. Pas in de 19e eeuw heeft de wetenschap het begrip zuurstof gedefinieerd en later is er weer bewustzijn ontstaan over de stofwisseling en de rol van zuurstof. De onbewuste logica wordt bewust. Bij het schrijven van een werkstuk of proefschrift ga je uit van een gevoel van weten over wat je nog niet cognitief weet. Het werkstuk is er om het weten te herkennen en er taal aan te geven. Als je van niets wist zou je niet aan het onderwerp beginnen. Je begint met een vermoeden, het gevoelsmatige weten. Dit gevoelsmatige weten wordt onderschat. We hechten in het wetenschappelijk denken ongelooflijk veel waarde aan het feitelijk weten, zodanig zelfs dat gevoel verdacht is en verondersteld wordt niet logisch te zijn en dat het weten slechts geconstrueerd kan worden door zintuiglijke waarneming. In het recente boek van prof. Ap Dijksterhuis (A.P.) wordt dit goed onderuitgehaald. Het belang van bewustzijn wordt enorm overschat. Het is het onbewuste dat denkt, reageert en vooral ook ‘weet’. Bewustzijn is niet meer dan een getuige van de ervaringen. Einstein herkende de relativiteitstheorie toen hij 19 jaar was en op het toilet zat. Het heeft hem nog 19 jaar gericht onderzoek gekost om het te verwoorden en te kunnen uitleggen. Het weten gaat voor de kennis uit. Einstein was dan ook een vurig pleitbezorger van de verbeelding als grondhouding van de wetenschapper ipv nauwgezet onderzoek. Relevante uitspraken in dit verband zijn: “Fantasie is belangrijker dan weten, want het weten is begrensd." En “Ruimte en tijd zijn niet omstandigheden waarin wij leven, maar manieren waarop wij denken."

Met andere woorden: constructen van mentale kaarten die het leven zin geven hoeven geen willekeurige projecties te zijn, maar kunnen ook gezien worden als een zelfsturend mechanisme naar grotere bewustwording over de werkelijkheid.

Wanneer de door de omgeving aangereikte mentale kaart van de werkelijkheid niet voldoet, overkomt ons een gevoel van verdwaald zijn. De aangeboden werkelijkheid lijkt niet te kloppen met de werkelijkheid die we gevoelsmatig ervaren. We zijn dan verdwaald en we worden gedwongen het gevoel te onderdrukken, te verdoven door drugs of drank, of op zoek te gaan naar een betere kaart van de werkelijkheid. Het wordt tijd voor bezinning.

De derde stabiliteitslaag

Al het goede bestaat uit drieën. Het sociale regelsysteem is een systeem dat niet stabiel is. Het is inherent instabiel door de noodzakelijk optredende tegenstrijdigheid van individuele belangen en belangen van een organisatie. Het kan alleen gedijen in een bepaalde traagheid. Het kost namelijk tijd om grote groepen van mensen te harmoniseren naar één bepaald wereldbeeld. Hoe groter de samenleving, hoe complexer de structuren, hoe meer tegenstrijdigheden er op kunnen treden, maar hoe moeilijker het ook zal zijn aanpassingen op de mentale kaarten door te voeren. Het menselijk gevoel is niet gek. Het neemt waar wanneer dingen tegenstrijdig zijn. “Consumeren is goed voor de economie en dus ons welzijn” wordt ons geleerd, tegelijkertijd ervaren we en weten we dat consumeren tot uitputting van onze planeet leidt en uiteindelijk tot onze ondergang. “Het is goed te strijden voor God, koningin en vaderland”, maar toen soldaten in de eerste wereldoorlog bij honderdduizenden het leven lieten, begonnen zij hieraan te twijfelen en grootschalige muiterijen hebben zich voorgedaan in het licht van de zinloosheid van deze oorlog.

Het huidige tijdsbestek is uitermate interessant. Het wordt door denkers over cultuur als genoemde Anton Cornels en de hier later genoemde Zygmund Bauman gezien als een overgangsperiode naar een totaal nieuw cultuurconcept. Door de globalisering en migratie van mensen uit andere culturen worden we des te meer geconfronteerd met botsende mentale kaarten. We ontdekken dat in dezelfde wereld mensen rondlopen met een verschillende kaart. Lees maar eens de essays van de verschillende schrijfsters van Moderne Devotiesviii , stuk voor stuk getuigenissen van mensen in het huidige tijdsgewricht die geconfronteerd worden met verschillende mentale kaarten. Als je verdwaald bent, wil je de weg vragen aan de voorbijganger. Maar zingevingvragen gesteld aan willekeurige mede-aardgenoten leiden tot aanwijzingen die alle kanten op gaan. Het is duidelijk dat de onfeilbaarheid van kaarten van altijd betrouwbaar geachte autoriteiten doorgeprikt wordt. We zijn verdwaald en er blijkt geen VVV te zijn die ons kan uitleggen wat we hier doen. We kunnen de juistheid van de eigen mentale kaart van ‘onze groep’ nog verdedigen door hard te gaan roepen dat wij gelijk hebben, hetgeen een verklaring zou kunnen zijn voor fundamentalistische en nationalistische geluiden juist in deze tijd, maar als de geschetste ontwikkelingen juist zijn, is het tij niet te keren.

Het wordt tijd voor een nieuwe stabiliteitslaag, voor de “nesteling van de emoties” in de termen van Cornelis. Deze nieuwe laag noemt hij de cultuur van de communicatieve zelfsturing. De maatschappij is niet meer lokaal, maar globaal geworden en zo complex dat niemand meer aan de touwtjes trekt. We denken nu nog dat we bestuurd worden vanuit Den Haag. Maar eigenlijk ook vanuit ‘Brussel’, of door het ‘CPB’, of ‘de multinationals’, of ‘Amerika’, of ‘de media’. Tussen aanhalingstekens, omdat deze zogenaamde sturende partijen op zichzelf al ongrijpbaar zijn als eigen entiteiten met een eigen programma. Maar toch sturen ze de maatschappij in razendsnelle wederzijdse beïnvloeding, zonder dat er een mens aan te pas komt. De maatschappij verschuift richting een zelfregulerend systeem, waarbij er niemand meer bestuurt, maar dingen geregeld worden door voortdurende terugkoppeling, de communicatieve zelfsturing. We zijn individuen geworden in een grote matrix, waarin ieder zelf de zingeving zal moeten bepalen. We zijn geen individu meer met een herkenbare identiteit: “De Nederlander bestaat niet meer”. Deze verschuiving naar een totaal ander cultuurbegrip waar Cornelis het over heeft, wordt ook gesignaleerd door de filosoof Zygmund Bauman . In zijn boeken verkondigt hij de opkomst van een ‘Liquid society’. In een Liquid society (vloeibare maatschappij) zijn de vaste structuren verdwenen en het geheel is vloeibaar geworden. Waar eerst een molecuul nog ingeroosterd zat in een kristalrooster, kan het nu vrij bewegen, gestuurd door het krachtenspel van de omliggende deeltjes. De identiteit die je in de eerste twee stabiliteitslagen meekreeg (de plaats in een kristalrooster), zul je in de derde laag zelf moeten ontwikkelen. Identiteit is een werkwoord geworden. De vooruitzichten zijn dat ieder een eigen mentale kaart of betekenisgevingsysteem zal ontwikkelen en dit zal blijven ontwikkelen, een leven lang. Het leven als leerhuis. Een term die vandaag de dag frequent gehoord kan worden. (Wie trekt er aan deze touwtjes?) Dit is een vooruitzicht dat gestaafd wordt door de huidige ontwikkelingen. De mentale kaarten zullen enerzijds ontleend moeten worden aan de omgeving, gevoel heeft nu eenmaal taal en beelden nodig om gekend en gecommuniceerd te worden, maar door de veelheid aan mogelijkheden, kan alleen de eigen ervaring en het persoonlijke gevoel daarover de maatstaf worden voor de bruikbaarheid. “Bricolage” is de term die aangeeft dat een betekenisgevingsysteem in elkaar geknutseld wordt uit elementen die ‘de markt’ aanbiedt. Bij gebrek aan een betrouwbare autoriteit kan alleen het verstandige gebruik van het gevoel leiden tot een bruikbare kaart voor het moment door het aan elkaar smeden van de verschillende ervaringen en aangereikte verklaringen. Terugkoppelen en bijsturen worden waarschijnlijk essentiële bezigheden voor een leven dat betekenis zoekt. Het vertrouwen op gevoel is misschien voor menigeen nu nog een angstig gebeuren. Zekere concepten, bewust kiezen en planmatig je leven indelen lijken toch de te verkiezen rationele methoden te zijn om het leven zin te geven? Maar de concepten zijn niet meer zeker, de rol van het bewustzijn is zeer beperktiv en planning is alleen zinnig bij een betrouwbare mentale kaart.

Zingeving in de onvoltooid toekomende tijd

De drie stabiliteitslagen waar Cornelis het over heeft, zijn in principe tegelijk werkzaam. De drijfveren van de eerste laag: geborgenheid, voedsel, voortplanting zijn niet verdwenen. Ook niet die van de tweede, waarin motieven leven als nuttig zijn voor een samenleving, of een bijdrage leveren aan de cultuur. Dit blijven waardevolle motieven, waarin het bestaan van een mens is verankerd. Daarom kan ik de antwoorden begrijpen die de bewoner van Baçele gaf aan het begin van dit essay. De spirituele waarde in de zingevingvraag lijkt wel te verschuiven met het geactiveerd worden van de volgende laag. In de eerste stabiliteitslaag was de spiritualiteit verbonden met vruchtbaarheid, de stam en haar continuïteit. In de tweede laag was deze verbonden met de heilige ordening van de maatschappij. Nu kunnen we in de geseculariseerde maatschappijen waarnemen dat het zorgen voor de basale behoeften van het lichaam en de cultuur gemotiveerd wordt niet vanwege het hogere, maar vanwege de rechtvaardiging van hun bestaan op zichzelf. Mensen hebben geen goden meer nodig om voedsel te verbouwen of fatsoenlijk te zijn naar de omgeving. Maar wat wordt dan de godheid van de nieuwe stabiliteitslaag waar we ons op gaan oriënteren; wat wordt dan het ijkpunt waar ons kompas van de zingeving zich op richt?

Zingevingsvragen met betrekking tot het spirituele verdwijnen niet; het lijkt erop dat ondanks secularisatie de belangstelling voor spiritualiteit niet verdwijnt. In de boekhandel worden de schappen die de boeken bevatten over levensbeschouwingen en religie steeds uitgebreid. We willen echter nergens meer bijhoren, maar ontwikkelen wel ideeën over het leven na de dood (‘believing without belonging’). Als we al ergens bij willen horen, dan is dat op onze voorwaarden. “Dat geloof ik wel, maar daar doe ik niet aan mee”. Omdat het goddelijke niet meer “daar ergens” gezien kan worden in de beelden die de kerkvaders ons hebben aangereikt, gaan we te rade bij ons eigen gevoel en het lijkt erop dat we het spirituele opnieuw terugvinden in onze directe omgeving. Onze eigen levensverhalen en de gebeurtenissen van alledag worden een bron waarin het spirituele gevonden wordt. Op ons zelfgemaakte altaar op een speciale plek in het huis staan een Boeddhabeeld, een Maria-beeld en een taoïstische wijsheid vredig naast elkaar en inspireren ons te zijn wie we willen zijn. Binnen de op zijn minst ongrijpbare, dus ‘vloeibare’ maatschappij stellen we een netwerk samen, desnoods virtueel, van geestverwanten waarmee we onze mentale kaart kunnen delen en de witte plekken daarin kunnen onderzoeken. Dit zijn subculturen binnen een bestuurlijke orde, waarin we eigenlijk niet meer weten wie wat bestuurt. De subcultuur lijkt sterk op de ‘nieuwe lokale stam’ waar het individu zijn zingeving aan ontleent. Echter de identiteit is niet meer gebaseerd op een “wij-gevoel” maar een constructie van gewaarwordingen over “Wie je bent”. We zijn ons eigen zelf gewaargeworden dat niet alleen of niet langer vraagt naar de zin van ons bestaan, maar dat zelf zin geeft aan ons bestaan.

Ik moet op dit punt denken aan een Japanse film over de zin van het leven. Het speelt zich af in een omgeving waar je terecht komt na het overlijden. Voor de nieuw aangekomene wordt het duidelijk dat het daar de taak is om zich een moment te herinneren dat waardevol is geweest in het leven. Het is juist dat moment waarvoor het leven geleefd is. Vervolgens moet dat moment nagespeeld worden, waarbij de andere aanwezigen kunnen helpen om bepaalde personen te vertegenwoordigen. Als in dat spel het gevoel weer opkomt dat bij dat moment hoort, kun je verdwijnen naar een andere onbekende bestemming. Voor sommigen is het onmogelijk iets te bedenken, die zijn er dan al een eeuwigheid, anderen lukt het heel snel. Het blijkt al gauw dat het niet de spectaculaire dingen zijn die tellen, maar eerder het alledaagse. Eendjes voeren in het park met een geliefde kan al voldoende zijn. Dit is nu juist een verbeelding van een zingeving die zich aan alle kanten opdringt. De inauguratierede van Maaike de Haardt en de getuigenissen van verschillende vrouwen over de eigen zoektocht naar zin in het boek “Moderne Devotie” van Kalsky en anderen, zijn hiervan voorbeelden. Het zijn stuk voor stuk zoektochten naar betekenis van zin in het alledaagse. Zijn deze geluiden uit het huidig tijdsgewricht ingegeven door een profeet of zijn ze een manipulatie van de overheid? Het is onwaarschijnlijk. De tijd van de profeten lijkt voorbij, we zijn onze eigen profeet geworden .

© J.H. van Splunter 2009. Overnemen is toegestaan; bronvermelding wordt op prijs gesteld.